Oud-politica Jeltje van Nieuwenhoven trots op Unesco-status Koloniën van Weldadigheid. Haar voorouders kwamen als paupers naar Drenthe. ’De armoede moest de wereld uit’

Alle reden voor Jeltje van Nieuwenhoven (77) om trots te zijn op de Werelderfgoedstatus, die de Drentse Koloniën van Weldadigheid kregen toegewezen.

Jeltje van Nieuwenhoven heeft veel interesse in de tijd van de enorme armoede in Nederland na de Franse overheersing.

Jeltje van Nieuwenhoven heeft veel interesse in de tijd van de enorme armoede in Nederland na de Franse overheersing. Foto: Eran Oppenheimer

De oud-PvdA-politica is een nazaat van de tot het proletariaat vervallen Leidse familie Van Nieuwenhoven. Jeltjes voorouders toonden arbeidslust, maar de goede naam werd besmet door dochter Jacoba, die zwanger raakte. Het icoon, dat na 40 jaar politiek van een rustige oude dag geniet, vertelt.

Bijna een miljoen Nederlanders stammen af van de Kolonisten uit de afgelopen week tot Unesco Werelderfgoed gehonoreerde Maatschappij van Weldadigheid. Eén van de nazaten is Jeltje van Nieuwenhoven, grande dame van de PvdA en – als eerste vrouw in de Nederlandse geschiedenis – tussen 1998 en 2002 voorzitter van de Tweede Kamer.

Het goede nieuws van de eervolle nieuwe status bereikte Jeltje thuis in Den Haag. „Ik vond het meteen heel erg leuk”, zegt het voormalige PvdA-icoon, met haar opvallende, typische ’kolonische’ tongval, de nog steeds gebezigde taal van de Kolonisten. „Er is jaren keihard aan gewerkt om het verhaal goed op orde te hebben.”

Lakenfabriek

De verre voorouders kwamen oorspronkelijk uit Vlaanderen. Vader werkte als arbeider in een lakenfabriek. „Toen die de poorten sloot verhuisden ze naar Leiden, waar de lakenhandel was. Maar toen ook daar een einde aan kwam, sloeg de armoede pas echt toe.”

Het gezin werd door de ’diakenen der huiszittende armen Leiden’ gestuurd naar de Maatschappij van Weldadigheid, in 1818 opgericht door generaal Johannes van den Bosch (1780-1844).

Het doel van de Maatschappij was paupers, maar ook landlopers, te ’verheffen’ uit hun penibele situatie, door ze in een streng gereglementeerde, bureaucratische samenleving te ’heropvoeden’ tot deugdzame en arbeidzame landarbeiders. Daartoe werd een eigen woning en een stukje land aangeboden op het platte land. Na verloop van tijd moest een ieder in zijn eigen onderhoud kunnen voorzien.

Lopen

De Van Nieuwenhovens grepen deze kans met beide handen aan. Er waren in de zuidwesthoek van Drenthe, toen nog bedekt met heide en veen, in eerste instantie drie koloniën ingericht: Frederiksoord 1 en 2, Willemsoord en Wilhelminaoord.

In Frederiksoord vond de toewijzing plaats. Jeltje vertelt dat de familie, haar toen 47 jaar oude betovergrootvader Cornelis, zijn vrouw en hun vijf kinderen, vanuit Leiden naar Drenthe hebben moeten lópen. „Ze deden daar dagen over en sliepen onderweg in schuren.”

Op 19 juni 1821 arriveert het gezin en komt terecht aan de Oostvierdeparten, het stukje Friesland, dat ook door het Unesco-examen is gekomen. Jeltje: „Als je de foto’s van die kleine huisjes ziet denk je: wat léúk! Maar daar woonden ze soms met wel vier gezinnen.

Cornelis van Nieuwenhoven moest overdag op het land werken bij één van de grote hoeves. ’s Avonds wachtte het werk op zijn eigen land. Ondertussen bleef het wel heel erg sappelen.”

Verlof

Uit archieven blijkt dat mevrouw Van Nieuwenhoven al na drie maanden vraagt of ze zes weken op verlof mag naar Leiden, waar ze tijdens de slachttijd een baantje had als ’scheelster’ (schelen: het handmatig schoonkrabben van varkensdarmen). Ze wilde daar wat bijverdienen. Het verzoek werd toegestaan, want het getuigde van arbeidslust en dat stond hoog in het vaandel bij Johannes van den Bosch.

Donkere wolken pakten zich samen toen dochter Jacoba van 22 in 1823 in de kolonie verkering kreeg met leeftijdgenoot Teun van Waveren uit Monnickendam en zwanger raakte. Het meisje had blijk gegeven van onzedelijk gedrag en daar stond gevangenisstraf op. Haar hing enkele jaren opsluiting boven het hoofd in een gevangeniskolonie bij Ommen.

Pas als het verliefde stel zegt spijt te hebben de regels niet te hebben nageleefd en zo snel mogelijk te willen trouwen, worden ze vrijgesproken. Nog voor de plechtigheid wordt een zoontje geboren. „Het kan best zijn dat méér familieleden in de negentiende eeuw niet zo netjes en oppassend zijn geweest. Ik sta daar in ieder geval niet voor in.”

’Stoelenmaker’

Een groot deel van de familie Van Nieuwenhoven is in de contreien blijven wonen. „Ik ben in Noordwolde-Zuid geboren, een paar honderd meter van de grens met Kolonie 2, die nu ook deel uitmaakt van het Unesco Werelderfgoed. Mijn vader is zijn hele leven lang stoelenmaker geweest, een vak dat in de Maatschappij van Weldadigheid was geïntroduceerd voor mannen voor wie het landwerk te zwaar was. Hij werkte in een klein fabriekje van zijn neef en was een vrij goede arbeider heb ik altijd begrepen.”

Jeltje van Nieuwenhoven spreekt vol lof over Johannes van den Bosch. „Zijn projecten waren niet altijd even succesvol, maar als PvdA’er spreken zijn doelstellingen me natuurlijk erg aan. De armoede moest de wereld uit. De gezinnen kregen een huis, medische hulp, scholing.”

Johannes van den Bosch was van 1842 tot 1844 lid van de Tweede Kamer.

U was zelfs vóórzitter van de Tweede Kamer. Hij zou trots zijn geweest!

Lacht: „In 2006 vond in Frederiksoord de presentatie plaats van het boek De proefkolonie, geschreven door Wil Schackmann. Ik was daar ook voor uitgenodigd en kreeg, samen met een nazaat van Van den Bosch een exemplaar aangeboden. De jonkheer sprak de gasten toe en zei ’dat als iemand in 1818 had gezegd dat een nazaat van deze armen ooit voorzitter van het parlement zou worden, zou die acuut in het dolhuis zijn opgesloten…’ Hij zei ook: ’Dat als hij zoiets over een nakomeling van ZIJN kolonisten zou horen, hij tot tranen toe geroerd zou zijn.’ Ik heb dat altijd onthouden, die man meende dat zó oprecht.”

„Het ging ook over standsverschil. Daar willen wij het in Nederland nooit over hebben, maar wij zijn allemaal gelijk, hè ? Daar geloof ik hartgrondig in, maar zeker aan het begin van de negentiende eeuw was dat niet het geval.”

Bent u wel eens bang geweest voor armoede, zoals uw voorouders die kenden?

„Ik ben bibliothecaresse van beroep en zei vroeger altijd: ’Als ik later AOW heb en ik kan een abonnement op de bibliotheek betalen, dan kan ik nooit meer ’arm’ worden. Ik ben heel erg opgevoed met: de rijkdom zit in wat je leest. Ik woon niet voor niets tussen de boeken. Mijn huis lijkt wel een bibliotheek.”

De politiek speelt nog altijd een rol in uw leven?

„Vier jaar geleden heb ik er weloverwogen een punt achter gezet. Het was genoeg zo. Ik moet zeggen dat het me erg is meegevallen hoe goed ik afscheid heb kunnen nemen. Ik volg alles, heb ook overal een mening over, maar houd die liever vóór me. Voordat je het weet word je weer gebeld door een krant, Op1, Jinek of hoe die programma’s ook allemaal heten mogen. Dan gaat het meestal over de voorzitter van de Tweede Kamer of de ruzie binnen de Partij van de Arbeid. Ik doe dat niet meer en geniet er ook niet meer van.”

U was ook ziek?

„Ik werd geplaagd door artritis. Ik weet niet of het door de corona komt en ik daarom veel thuis was, maar het is in ieder geval veel minder geworden. Ik heb wel al een jaar of zeven last van hartritmestoornissen en dan moet je erg voorzichtig zijn. Dat ben ik dan ook maar. Het gaat goed zo. Even afkloppen op deze houten tafel...”